´want hoezeer de mens zich ook aftobt met zoeken, hij kan het niet ontdekken, en wanneer soms
een wijze mocht zeggen, dat hij het weet, hij kan het niet ontdekken´. (Prediker, 8:17)
Onze beschaving heeft haar wortels in Jeruzalem èn in Athene. Het eerste symboliseert de wijsheid
van het geloof. Het tweede de rationaliteit van de wetenschap. Ware beschaving of cultuur berust op
twee pijlers: geloof en wetenschap. Door het geloof blijft de rede gericht op de ultieme zingeving.
Door de rede blijft het geloof gevrijwaard van fanatisme en magie. Vrijheid van denken en openheid
voor de wijsheid van het geloof vormen samen een noodzakelijke voorwaarde om de wereld
menswaardig te houden.
In deze tekst wil ik in het bijzonder ingaan op de rol van de sociale wetenschappen. Eerst wordt de
stelling besproken dat er nu in die wetenschappen een eenzijdige en sterk gereduceerde opvatting
over de mens heerst. De wijsheid van het geloof krijgt er geen plaats meer. In de tweede paragraaf
wordt beschreven hoe de visie van de mens als een vrij en scheppend persoon leidt tot de noodzaak
van een metafysisch of religieus referentiekader. Het doel van de sociale wetenschappen wordt
vanuit dit kader gezien als het leveren van een bijdrage aan de vervolmaking van de schepping.
Daarna wordt uitgebreid ingegaan op de Ik-Ander relatie als bron van onze verantwoordelijkheid als
wetenschappers.
Waarom deze bezinning? Simpel gezegd: omdat het bij de opvoeding gaat om mensen, ouders en
kinderen. Het gaat om een relatie tussen een ik en een jij. Een relatie waarin de bezieling van en
door de opvoeder centraal staat. De kracht hiervoor vindt de opvoeder in zijn geloof in wat zin geeft
aan een mensenleven. Zonder dat geloof kunnen opvoedingsproblemen zelden worden overwonnen.
Zonder geloof wordt opvoeding manipulatie, waarin kinderen leren anderen evenzeer te manipuleren.
Zonder geloof leidt opvoeding tot een wereld waarin onze persoonlijke relaties beheerst worden door
de economische wet van het welbegrepen wederkerig eigenbelang. Een wereld zonder beschaving.
Een rationele psychologie zonder geloof
De psychologie is al lang geen zielkunde meer. De pedagogiek is op sterven na dood. Mijn stelling
is dat we in de menswetenschappen op een heilloze weg zijn terechtgekomen door de extreme
nadruk op het empirisme. Zonder dat ik trouwens de bijdrage van het experimenteel onderzoek (de
rede) aan onze kennis van de mens wil ontkennen. Maar de wijsheid (van het geloof) is in de sociale
faculteit ver te zoeken. Het gevolg hiervan is dat de mens bestudeerd wordt alsof hij uitsluitend
begrepen kan worden op grond van fysiologische, psychologische en sociale kenmerken. De
hedendaagse psychologie ziet niet meer in dat de mens zelf schepper is van zijn persoonlijke
geschiedenis. Over de zin van ons bestaan, over onze verantwoordelijkheid voor anderen of over een
waarheid die meer is dan wat zichtbaar en tastbaar is, wordt niet meer nagedacht. Dit heeft geleid
tot een schandalige toestand: psychologen en pedagogen die wetenschappelijk onderzoek verrichten
hebben nauwelijks oog voor schokkende hedendaagse problemen, waarvoor we ons met prioriteit
verantwoordelijk zouden moeten voelen.
Bij dit laatste denk ik aan de grote aantallen gemarginaliseerde mensen, de honderden miljoenen
kinderen die het fundamenteel recht op goed onderwijs moeten ontberen, de vele eenzame en
getraumatiseerde mensen in onze samenleving, de toenemende kloof tussen arm en rijk. Wij doen
liever experimenteel onderzoek naar neurofysiologische processen tijdens de slaap, met als
proefpersonen goed doorvoede consumenten. Wat ontbreekt is een moreel en ethisch
referentiekader: het onderzoek wordt slechts beoordeeld op grond van objectieve en
methodologische maatstaven. Onderzoekers zoeken daarom de veilige weg van
vragenlijst-onderzoek en laboratoriumachtige experimenten. Binnen dit Babylonisch forum weigert
men te kijken naar wat er in de wereld werkelijk gaande is.
In de discussie over geloof en wetenschap zouden we in het derde millennium met een schone lei
kunnen herbeginnen, en het geloof opnieuw een kans geven om kennis te paren met wijsheid. We
moeten als wetenschappers durven erkennen dat de rede niet volstaat. Dat we open moeten blijven
staan voor de waarheid die we innerlijk aanvoelen, en die voor een gelovig mens het Woord is van
een zich openbarende transcendentie. Al duizenden jaren en in alle culturen heeft de mens
aangevoeld dat hij deelgenoot is aan een oneindig mysterie. Hij is vrij, hij is een uniek persoon, er is
zoiets als absolute menselijke waardigheid, er is liefde en goedheid en er is vrijheid: dit juist maakt
ons leven zinvol en biedt het referentiekader om te kunnen ontstijgen aan wat ons in de ban houdt
van onze biologie, onze kennis en de sociale krachten (Van Acker, 1999).
De mens heeft een roeping. Hiermee is alles gezegd over wat geloof voor de wetenschap kan
betekenen. Zonder geloof geen roeping, alhoewel ik hierbij niet denk aan een bepaald geloof dat
dogmatisch wordt verkondigd. Ik houd het puur bij het geloof dat we deelgenoot zijn aan een oneindig
mysterie, waarin we door het Hogere geroepen worden ons persoonlijk in te zetten voor de
vervolmaking van de schepping. En met schepping refereer ik niet aan een kinderlijk geloof, dat al
lang ontkracht is door de evolutieleer, maar aan het onvoorstelbare feit dat de wereld er al was
vóórdat de mens in die wereld begon in te grijpen. Zo kunnen we de wereld zien als een cadeau, dat
met een oneindige liefde aan de mensheid is gegeven, en waarvoor we nu de grootste zorg moeten
dragen. Dit is het referentiepunt dat ik wil gebruiken voor mijn wetenschappelijke arbeid en natuurlijk
ook voor het beoordelen van gedrag van mensen in het algemeen.
Het object van de sociale wetenschappen is ook de mens als persoon
Jacques Maritain heeft in 1925, dus vóór de opkomst van het nationaal-socialisme en het stalinisme
in Europa, er op gewezen dat de moderne samenleving de persoon opoffert aan het individu, en dat
daardoor het individu geannexeerd wordt in de totaliteit: hij bestaat slechts als deel van het systeem.
Maritain had het hier over de despotische democratie. Met het einde van mijn loopbaan in zicht ben
ik tot de conclusie gekomen dat het empirisme in de sociale wetenschappen evenzeer heeft geleid
tot een totalitarisme. Alleen door opnieuw open te staan voor een waarheid die van elders komt, of
voor een werkelijkheid die meer is dan wat objectief vaststelbaar is, kunnen we ons van dit
wetenschappelijk totalitarisme bevrijden. De eerste zin van het hoofdwerk van Emmanuel Levinas
(1961) geeft de noodzaak van deze openheid perfect aan: Het ware leven is afwezig. Toch zijn wij op
de wereld. Dit wil zeggen dat de waarheid niet zichtbaar en meetbaar is, maar dat het onze roeping
is tijdens ons leven te blijven zoeken naar deze ultieme waarheid.
We zien op dit moment dat de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek vrijwel uitsluitend wordt
bepaald door de methodologische zuiverheid waarmee de verschijnselen worden bestudeerd. Het
menselijk gedrag wordt herleid tot mathematische wetmatigheden. De mens als persoon telt hierin
niet mee. Volgens Maritain leven de wetenschappers die zon gereduceerd beeld van de mens
hanteren in le monde imbécile de la rationalité. Het is een kennis op menselijke maat waarin de
vraag naar zin of ultieme waarheid verdrongen wordt. Ik ontken uiteraard niet dat de mens in grote
mate beÔnvloed wordt door conditioneringsmechanismen, door sociale en culturele invloeden, door
zijn verleden, het hier en nu en zijn verwachtingen over de toekomst. Het blijft een grote verdienste
van de moderne wetenschap de werking van deze mechanismen en invloeden tot in de fijnste details
bloot te leggen. Maar de mens wordt pas menselijk als hij als persoon van zijn vrijheid gebruik maakt
om, tegen alle biologische en sociale invloeden in, de schepper te zijn van zijn eigen geschiedenis.
Centraal hierbij is de verantwoordelijkheid die niet rationeel in te vullen is, maar voortvloeit uit een
waarheid die van elders komt. De mens is menselijk, niet als rationeel wezen, maar juist als
antinatuurlijk wezen.
Om de dialoog tussen wetenschap en geloof opnieuw op gang te brengen zullen de sociale
wetenschappers de grote metafysische en religieuze waarheden als referentiekader moeten durven
te nemen. Op die manier wordt een morele chaos vermeden en zal de wetenschap een bijdrage
kunnen zijn aan de vervolmaking van de schepping.
De vervolmaking van de schepping
Als we nu even aannemen dat het doel van de sociale wetenschappen is bij te dragen aan de
vervolmaking van de menselijke samenleving, dan heeft in die wetenschappen dat doel in concreto
altijd te maken met het veranderen van gedrag van mensen. Wij kunnen dit proberen te bereiken door
de sociale omgeving te veranderen, door nieuwe vaardigheden aan te leren (bijv. de talloze
communicatietrainingen voor bedrijfsleiders), door ongunstige invloeden weg te nemen, door mensen
bewust te maken van de oorzaken en de gevolgen van hun gedrag.
De vraag die hieraan vooraf moet gaan is waarom we gedrag van mensen willen of moeten
veranderen. Is het om mensen gelukkiger te maken? Of om de wereld te verbeteren? Is een van de
doelen van de sociale wetenschappen agressie en oorlogen te voorkomen? En zo ja, welke normen
bepalen die doelen en welke middelen mogen we gebruiken om die doelen te bereiken?
Om de bovenstaande vragen te beantwoorden kunnen we met rationele argumenten vele kanten uit.
We zouden bijvoorbeeld als uitgangspunt kunnen nemen dat het beter is te voorkomen dan te
genezen. Als we abnormale foetussen tijdig aborteren, voorkomen we veel leed bij de ouders en is
het voor de samenleving zeer kostenbesparend. Als vanuit een onderontwikkeld land te veel
terrorisme wordt georkestreerd, dan is het beter dat land tijdig plat te bombarderen. Morele
dilemmas zijn rationeel niet op te lossen. De vraag blijft of er geen betere fundering van onze normen
mogelijk is.
De fundering van normen en waarden
Normen en waarden staan in verband met onze visie op de mens en op de samenleving. Het is
onbegonnen werk om te proberen vast te stellen welke mens- en maatschappijvisie een houvast kan
bieden voor de sociale wetenschapper. De gehele filosofie en elke religie zijn gericht op het
beantwoorden van deze vragen. Nochtans moet ieder van ons zijn persoonlijk antwoord kunnen
geven; is dat niet het geval dan weten we niet waarom we iets doen, of we conformeren ons aan
normen en waarden die anderen ons opleggen. Een persoonlijke keuze voor waarden en normen is
volgens Kierkegaard essentieel voor de menselijke waardigheid en voor een zinvol leven
(Kierkegaard, 1849).
Waar moeten we onze persoonlijke keuze op baseren? De wetenschap is waardenvrij en geeft dus
geen antwoord. We kunnen onze persoonlijke mens- en maatschappijvisie niet baseren op een
zuiver objectieve logica. Objectief gezien wordt alles gedicteerd door wetmatigheden. Het
determinisme laat geen vrijheid van persoonlijke keuze toe. Deze hegemonie van het
empirisch-wetenschappelijke en rationele model in de westerse beschaving heeft geleid tot een sterk
gereduceerde visie op de mens. In zijn meest extreme vorm wordt elk menselijk handelen
gereduceerd tot zijn economische waarde. In zo'n situatie lijken we nu terecht gekomen. Ook in de
psychologie is een gereduceerd mensbeeld alles overheersend geworden: de mens zou begrepen
kunnen worden vanuit zijn fysiologie, zijn psychologische kenmerken, zijn sociale context, de
culturele omstandigheden, zijn verleden en zijn huidige situatie. Het is net alsof we een boek zouden
kunnen begrijpen op grond van alle objectieve kenmerken: de grammaticale structuur, de
woordfrequentie, de syntaxis of de combinatie van werkwoorden en naamwoorden. Maar al deze
objectieve kennis leert ons niets over de betekenis of de esthetische waarde van de tekst. Op
dezelfde manier leert de empirische psychologie ons niets over de zin en de betekenis van de mens.
Over waarden en normen laten de sociale wetenschappen ons in het ongewis. Men zal hoogstens
expliciteren door welke normen en waarden mensen zich laten leiden, maar de vraag waar ze
vandaan komen blijft onbeantwoord.
Een andere vorm van reductie is het herleiden van de mensvisie tot de autonomie van het Ego. Ego
identiteit wordt gezien als het eindstadium van de menselijke ontwikkeling. Individualisatie is bereikt
als het Ego een gevoel van zelfwaarde bezit en niet de speelbal is van externe omstandigheden of
invloeden. Sociaal aanvaardbaar gedrag is een kwestie van welbegrepen wederkerig eigenbelang. Het
kind leert dit gedrag via de weg van conditionering. Vrijheid van keuze is in feite een illusie. Ook ons
geloof is afhankelijk van de plaats waar we zijn geboren; daarom zijn de meeste mensen in
Noord-Nederland protestant en in Zuid-Nederland katholiek.
Bij deze reductie zijn normen die het belang van het Ego niet dienen volkomen irrationeel. In vroeger
tijden hebben honderdduizenden jonge mensen de geloften van armoede, kuisheid en
gehoorzaamheid afgelegd. In onze tijdgeest zullen de meeste mensen deze geloften ervaren als
volslagen absurd, onnozel en onmogelijk rationeel te aanvaarden. Hiermee wordt niet beweerd dat
het verleden beter was, maar dat irrationele waarden (die geloften bijvoorbeeld) uit het hedendaagse
mens- en wereldbeeld zijn verdwenen. We komen verder terug op de vraag of die irrationele waarden
volkomen waardeloos zijn.
De identiteitsontwikkeling is natuurlijk van het grootste belang. De mens moet in de mate van het
mogelijke autonoom worden om een constructieve rol in de wereld te kunnen spelen. De vraag is of
ego-identiteit het ultieme doel en de hoogste menselijke waarde is. Het is de Franse filosoof Levinas
die er op heeft gewezen dat deze ego-identiteit niet meer is dan een reductie van het Ego tot het Zelf
(Levinas, 1991). Hiermee wordt bedoeld dat in die autonomie en individualiteit het Ik alles herleidt tot
zichzelf: de wereld en de anderen zijn er in de eerste plaats voor hem (het gaat in wezen altijd om
het eigenbelang). Levinas noemt dit de Zelfontplooiingsmythe. Deze mythe wordt doorbroken zodra
een Ander in ons leven komt (Levinas schrijft de Ander met een hoofdletter). Die Ander plaatst het
Ego namelijk voor een dilemma: de egocentrische behoeften kunnen botsen met de belangen van de
Ander. Moet ik opkomen voor mijn eigenbelang of ben ik de hoeder van mijn broeder?
De binnenkomst van de Ander in de gesloten en egocentrische wereld van het Ik is een confrontatie
met het radicaal andere: het is onmogelijk de behoeften, de gedachten en de gevoelens van de
Ander te reduceren tot de behoeften, de gedachten en de gevoelens van het Zelf. De wereld van de
Ander is totaal verschillend van mijn wereld en valt buiten het initiatief van het Zelf. Maar er is meer:
door de binnenkomst van de Ander (in de ontmoeting van mens tot mens) verzoekt die Ander met
hem rekening te houden. Het Ik moet zijn ego-identiteit kunnen overstijgen om een 'ethische
identiteit' te worden.
Ethische identiteit is een toestand waarin het Ik zich verantwoordelijk voelt voor de Ander. Levinas
citeert hier Dostojewski: 'We zijn allen schuldig en ik meer dan de anderen'. Hierbij moet wel
benadrukt worden dat ego-identiteit noodzakelijk is om de verantwoordelijkheid voor anderen te
kunnen opnemen. Het gaat dan echter om een identiteit die ten dienste van de anderen wordt
gesteld en zich op die manier bevrijd heeft uit de geslotenheid van het egocentrisme (in mijn
opvatting is deze openheid voor de buitenwereld dË sleutel voor geestelijke gezondheid).
Onze relaties worden pas menselijk als we de reductie van de ego-ontwikkeling tot autonomie en
subjectieve identiteit kunnen overwinnen. In het leven van alledag hebben we hiervan een perfect
voorbeeld: we weten dat we een ander pas echt liefhebben als die liefde onvoorwaardelijk is.
Onvoorwaardelijk wil zeggen dat het niet afhankelijk is van onze egocentrische behoeften. In de liefde
en de goedheid cijfert het Ik zichzelf weg. Dit laatste wil niet zeggen dat het Ik geen rol speelt, want
het Ik neemt het initiatief voor de liefde en de goedheid; de liefde voor een Ander kan namelijk niet
van buitenaf worden opgelegd of afgedwongen. Deze relatie van liefde of goedheid is nog complexer:
het Ik neemt weliswaar het initiatief, maar het is het antwoord op het appel van de Ander. De Ander
doet een appel op het Ik om rekening met hem te houden.
In deze (ware) betekenis is liefde en goedheid altijd onvoorwaardelijk. Die relatie kan nooit
afgebroken worden. De behoeften of het appel van de Ander hebben altijd voorrang op het Ik. Dit
klinkt erg idealistisch, maar toch hebben de meeste mensen elkaar op deze wijze lief en blijft een
meerderheid trouw aan elkaar. Hetzelfde geldt voor de liefde van ouders voor hun kinderen; ook hier
bewijst de mens in welke absolute mate hij zijn eigenbelang voor de Ander (het kind) kan opofferen.
Met deze indringende analyse van de Ik-Ander relatie wordt duidelijk welke enorme bijdrage Levinas
heeft geleverd voor de visie op de mens en de samenleving. Levinas heeft de impasse blootgelegd
waarin het westerse denken is verzeild geraakt, en hij heeft aangetoond hoe we dit kunnen
doorbreken. In plaats van de sociale werkelijkheid te reduceren door alles vanuit het Ego te
beschouwen, moeten we leren de Ander centraal te stellen in onze mens- en maatschappijvisie. De
Ander is 'de vreemdeling', wiens bestaan afhankelijk is van het Ego. Het Ego moet bereid zijn aan
hem prioriteit te geven (als ouders dit niet kunnen, ontstaat voor het kind een levensbedreigende
situatie). Autonomie wordt vervangen door 'heteronomie'.
Een derde reductie waar Levinas op wijst is de weigering van de rationele mens dat er een 'au-delà'
bestaat of een dimensie buiten de tijd en de ruimte. We kunnen nauwelijks vermoeden wat de
consequenties zijn voor de wereld (en voor de omgang met elkaar) van het feit dat het transcendente
wordt afgewezen. Een van de gevolgen is, volgens mij, dat de moderne psychologie nog nauwelijks
een bijdrage kan leveren aan de humanisering van de samenleving.
Een van de leerlingen van Levinas, Charlier, heeft gewaarschuwd voor een gereduceerde visie die
uitsluitend op de rationaliteit en de objectiviteit is gebaseerd. Als we menen dat over de psyche en
de aard van de mens controle verkregen kan worden door middel van onze wetenschappelijke
modellen, dan zullen we nooit in staat zijn de plaats van de mens in de kosmos en de finaliteit van
de mens te vatten (Charlier, 1989). Deze eenzijdigheid is oorzaak van het misbruik van de natuur
door de mens en van zijn toenemend isolement in een universum dat stom is geworden. Charlier
pleit niet voor 'een terug naar de natuur' of tegen de wetenschappelijke rationaliteit, maar zij stelt een
andere benadering van de mens en de natuur voor. Zij benadrukt de noodzaak van contemplatie
waarin de natuur en de mens gezien worden als de creatie van een transcendente kracht. Deze
contemplatie maakt er ons van bewust dat we verantwoordelijk zijn voor die natuur en voor de
mensen, want de schepping is aan ons toevertrouwd. Als we de natuur en de mens liefhebben,
worden we zelf schepper.
Deze liefde en goedheid uit verantwoordelijkheidsgevoel voor de Ander kunnen we niet afleiden uit de
psychologische wetmatigheden. Die wetmatigheden worden er integendeel door overwonnen. Wij
bevrijden ons van het wetenschappelijk determinisme en van de conditioneringsmechanismen door
de Ander prioriteit te geven. In het andere geval blijven we de slaaf van onze impulsen en streven we
naar macht over onze medemensen. Deze bevrijding betekent dat de mens uniek is, onvervangbaar:
een psychologie die het transcendente niet erkent, erkent ook nooit de mens als uniek en
onvervangbaar persoon. Zielkunde zou dan toch de waarheid beter benaderen dan een puur
empirische psychologie.
Het sociale van de sociale wetenschappen
Rationeel gezien zijn er in onze geÎconomiseerde wereld heel wat nutteloze en ook wel gevaarlijke
mensen. Als het doel van de sociale wetenschap het vervolmaken is van de menselijke samenleving,
ligt het sociale aspect rationeel gezien in het verwijderen van deze mensen uit de gewone
samenleving. Dat doen we trouwens met mentaal gehandicapten, met criminelen en met
hoogbejaarden. 'Verwijderen' kan ook een eufemisme zijn. Rationeel gezien is hier niets op tegen,
want het maakt het leven voor de meerderheid makkelijker, veiliger en aangenamer.
Als we de Ander centraal stellen, wordt het sociale van de sociale wetenschappen radicaal anders
ingevuld. Doordat er gehandicapten, criminelen en andere gemarginaliseerde mensen zijn, zijn we
geroepen om onze verantwoordelijkheid voor hen op te nemen. Onze verantwoordelijkheid voor hen
leidt tot een humanisering van de wereld. Vandaar dat de sociale wetenschappen niet omheen deze
mensen kunnen. Deze invulling is volgens mij hËt criterium voor prioritering van het wetenschappelijk
onderzoek.
Onze wetenschappelijke modellen laten niet toe deze verantwoordelijkheid te ontdekken. Daarom
ook maken zij een discussie over waarden en normen onmogelijk. Daardoor blijven we in het
onzekere over de concrete invulling van het doel van de sociale wetenschappen. Het uiteindelijke
gevolg is dat de sociale wetenschappen er mede verantwoordelijk voor zijn dat de motivatie om
anderen, en in het bijzonder lastige en nutteloze mensen te helpen, afneemt. De enige reden
waarom wij hen nog zouden helpen is omdat we ervoor betaald worden. Daarmee is de cirkel rond en
leven we in een totaal geÎconomiseerde wereld.
Het probleem waar ik dus mee zit is dat in de vigerende wetenschapsopvatting er geen plaats is voor
irrationele waarden als verantwoordelijkheid, goedheid of rechtvaardigheid. Dit duidt op een gebrek
aan onderscheid tussen waarheid en waarde. De positivistische wetenschappen kunnen bewijzen
wat waar is, maar ze kunnen nooit aannemelijk maken dat iets waarde of zin heeft. De waarheid is
het domein van deze wetenschap, want waarheid is in deze opvatting datgene wat objectief is. De
waarde en de zin behoren tot het domein van de persoonlijke overtuigingen of van het persoonlijk
geloof en dat is altijd subjectief. Hiermee stuiten we op een enorm probleem: maken we een
onderscheid tussen wetenschap en geloof, dan sluiten we de wetenschap af van wat waardevol en
zinvol is. De waarheid van de wetenschapper kan tegelijkertijd waardeloos zijn. In het ergste geval
verschaft de wetenschap kennis om leven te vernietigen of te misbruiken. We kunnen de zin van ons
leven en van onze relaties niet op rationele gronden verklaren. Toegepast op de sociale
wetenschappen moeten we ons afvragen of het sociale (het vervolmaken van de menselijke
samenleving) losgekoppeld kan worden van de waarden die alleen door het geloof in de wereld wordt
gebracht. Het geloof stimuleert de rede om uit haar isolement te komen, om risicos te nemen en om
op te komen voor het schone, het goede en het ware. Het geloof is met overtuigingskracht de
advocaat van de rede.
Het pijnlijkste gevolg van een gereduceerde visie op de mens en de samenleving is het destructieve
effect dat deze visie heeft op menselijke relaties. De reductie tot het objectieve en het tastbare is
een reductie van de waarden en normen tot wat het eigenbelang dient. Het destructieve effect is
zichtbaar in ons gebrek aan verantwoordelijkheid voor de natuur, en voor de vele mensen die in onze
samenleving en in de rest van de wereld worden gemarginaliseerd. Gelukkig zijn er veel mensen die
hun visie niet uitsluitend laten bepalen door wat de wetenschap en de rationaliteit dicteren.
Voor sociale wetenschappers is het van wezenlijk belang dat we de Ander als uniek persoon
benaderen en niet als een subject of proefpersoon, die onderworpen moet worden aan wat de
wetenschap dicteert. Ook een wetenschappelijk argument kan hiervoor worden aangevoerd: de mens
is zo oneindig complex dat de modellen in de menswetenschappen die complexiteit in de verste
verten niet kunnen benaderen. Steeds zijn er factoren waarmee geen rekening wordt gehouden. Een
diagnose die gebaseerd is op het meten van enkele variabelen door middel van tests en
vragenlijsten, is per definitie destructief ten aanzien van de mens als persoon. In het ergste geval
krijgt hij de label van een stoornis en al zijn positieve mogelijkheden worden genegeerd.
Ons inzicht in sociale verschijnselen moet in de eerste plaats gebaseerd zijn op wijsheid. Ik heb het
hier over de wijsheid om de Ander te zien als diegene die een appel doet op mijn
verantwoordelijkheid. In die relatie moet de wetenschapper in de eerste plaats open staan voor de
Ander. Dit wil zeggen dat de Ander niet in de eerste plaats wordt beoordeeld vanuit de
wetenschappelijke kennis, want dan wordt de Ander als uniek persoon sterk gereduceerd. Deze
reductie (vanuit het Zelf) is een grove onrechtvaardigheid. Rechtvaardigheid betekent dat de Ander
niet wordt gediskwalificeerd en dat zijn bestaan niet alle waarde wordt ontnomen. Elke relatie waarin
de Ander niet als een uniek en waardevol persoon wordt gezien is destructief. Hem als een persoon
zien is ook een appel doen op zijn verantwoordelijkheid om ten dienste van de anderen te staan.
Zich laten inspireren door het 'meer dan'
Het doel van de sociale wetenschappen hebben we gedefinieerd als het vervolmaken van de
menselijke samenleving. Als de waarde en de zin van de menselijke relaties bepaald worden door
waarden die we met de rede niet kunnen vatten, of die door de rede in gevaar gebracht kunnen
worden, dan moeten de sociale wetenschappen geÔnspireerd worden door het 'meer dan', door
datgene wat de rede overstijgt. Hierdoor kunnen we de betovering van het positivisme doorbreken en
brengen we de moed op om waarden die door de wetenschap volkomen genegeerd worden, omdat
ze buiten de objectieve werkelijkheid vallen, opnieuw een centrale plaats in ons denken te geven. Ik
kom hier tot de paradoxale conclusie dat we ons moeten bevrijden uit de eenzijdigheid van het
hedendaagse wetenschappelijke denken. Diegenen die beweren dat de positivistische wetenschap
de mens heeft bevrijd uit het magisch denken, vergeten dat diezelfde wetenschap ons in de ban
heeft gebracht van het eindige zijn.
Door de meest menselijke relatie, de relatie van liefde met in het bijzonder de ouder-kind relatie, als
referentiepunt te nemen komen we subjectief tot de conclusie dat onbaatzuchtigheid,
onvoorwaardelijkheid en absoluutheid wezenlijke kenmerken van die relaties zijn. Is het subjectief
omdat deze waarden diep in onze geest aanwezig zijn? Of komen die waarden vanuit een
transcendente werkelijkheid (theologen definiëren het transcendente als het 'meer dan')? Deze
vragen moet iedereen voor zichzelf beantwoorden. Maar als je ergens in gelooft, dan heeft dit enorme
consequenties. Je kan niet zomaar geloven dat er een God van Liefde bestaat die oneindig is en ons
vraagt ons onbaatzuchtig, onvoorwaardelijk en absoluut ten dienste te stellen van onze medemensen
(en in de meest irrationele betekenis ook onze vijanden zo absoluut lief te hebben). Je kan niet
zomaar in zo'n God geloven omdat God niet tussen haakjes geplaatst kan worden. We kunnen ons
als sociale wetenschappers niet blijven gedragen alsof God niet bestaat. Als je werkelijk gelooft in
de grote God van Liefde, ben je helemaal anders dan een positivistisch ingestelde wetenschapper.
Met dit laatste wil ik niet beweren dat christelijke wetenschappers beter zijn of over het alleenrecht
beschikken om over waarden en over het zinvolle te spreken. Welk geloof men aanhangt doet er
misschien niet toe, maar wie uitsluitend het rationele accepteert is als menswetenschapper een
bioloog of een etholoog en niets meer.
Slotsom
Mijn stelling is dat de sociale wetenschappen verder moeten gaan dan een objectief en rationeel
denkkader. De realiteit en de waarheid zijn meer dan het feitelijke en het empirische, en de mens
heeft juist de capaciteit om deze transcendente en metafysische dimensie als waar te erkennen. Die
dimensie laat ons toe de menselijke waardigheid te funderen, of de mens te zien als een uniek
persoon waarvoor we verantwoordelijk zijn. Het sociale van de sociale wetenschappen ligt in de
verantwoordelijkheid voor de medemensen (de Anderen) in het hier en nu, of ver weg en voor de
toekomstige generaties. Die verantwoordelijkheid is niet rationeel te verklaren. Hierin ligt de bijdrage
van het geloof voor de wetenschap. Een puur rationeel denkkader houdt de weg vrij voor geweld,
uitbuiting en onverschilligheid. Verantwoordelijkheid is ons antwoord op het appel van de Ander,
zonder onderscheid. De diepere grond van die verantwoordelijkheid is irrationeel: het geloof dat via de
Ander het transcendente tot ons spreekt. In de geest van Maïmonide, een joods geleerde uit de
twaalfde eeuw, is wetenschap zonder de wijsheid van de Wet slechts ijdelheid die leidt tot het Niets.
Referenties
Acker, J. van (1999). Gevangen vrijheid: De mens in de ban van zijn biologie, zijn kennis en de
sociale krachten. Leuven: Garant.
Charlier, C. (1989). L'Alliance avec la nature. Paris: Cerf.
Kierkegaard, S. (1849). Sygdommen till Doden. Kopenhagen: Reitzel.
Levinas, E. (1991). Entre nous: Essais sur le penser-à-l'autre. Paris: Grasset.
Maïmonide, M. (1135-1204). Le livre de la connaissance. Uitgegeven in 1961 door Quadrige/PUF,
Paris.
Maritain, J. (1925). Trois réformateurs: Luther, Descartes, Rousseau. Paris: Plon.