Introductie
Dit advies is geschreven voor het gemeentebestuur van een grote stad, waar een gerichte aanpak van de harde kern van jonge delinquenten als beleidsprioriteit werd gesteld. Er zijn in deze stad meerdere projecten die bedoeld zijn voor behandeling en reclassering van jonge criminelen, maar het wordt wenselijk geacht een meer gecoördineerde en wetenschappelijk geëvalueerde benadering te organiseren. Ik heb een studie gemaakt van de situatie in die stad en van het bestaande aanbod van voorzieningen. Het is mijn bedoeling om in samenwerking met deze voorzieningen een effectief plan van aanpak te realiseren, als hiervoor de middelen beschikbaar worden gesteld.
In deze stad is een meerderheid van de harde kern jongeren van Marokkaanse afkomst.
Adviezen
De doelgroep: We moeten er geen doekjes omwinden: bij de harde kern gaat het om jongeren die een gevaar vormen voor de samenleving en die nog nauwelijks vatbaar zijn voor enige beïnvloeding. De meesten hebben reeds alle kanten van de jeugdhulpverlening gezien, van maatschappelijk werk tot jeugdgevangenis, en niets lijkt te helpen. Zij vormen de 3% van de jongeren die door de politie betrapt worden en die steeds hervallen in de criminaliteit (97% van de gearresteerde jongeren stopt vanzelf met hun delinquent gedrag). De politiemensen moeten goed getraind worden in het leren onderscheiden van de harde kern en de tijdelijke delinquenten. Op die manier komen de juiste jongeren in het project terecht.
Die 3% kenmerkt zich door een antisociale ontwikkeling die al vanaf de kleuterklas begint. Naast biologisch bepaalde kenmerken zoals impulsiviteit, aandachtstekorten, hyperactief gedrag en agressie lopen ze extra risico om later delinquent te worden door een cumulatie van ongunstige factoren in het eigen milieu (gebrek aan toezicht door de ouders, ouders met een eigen psychische problematiek, familieleden die zelf crimineel zijn, opgroeien in een achterstandswijk, armoede, werkloosheid, mislukte schoolcarrière, enz…). Zij beginnen al met kleine delicten rond de leeftijd van acht jaar en het wordt steeds erger. Bij sommige allochtone groepen zijn de ongunstige omgevingsfactoren frequenter aanwezig, soms is de situatie uitzichtloos en zijn de volwassenen verbitterd of ze dragen haat tegen alles wat niet bij hun cultuur hoort, wat gedeeltelijk verklaart waarom bij die etnische groepen er meer criminele jongeren zijn. Om de criminaliteit bij deze groepen te verminderen zouden de zogenaamde protectieve factoren versterkt moeten worden (bijv. meer succes op school, meer toezicht door de ouders, ouders die betere opvoedingsvaardigheden aanleren, de kinderen niet-agressieve methoden aanleren om met frustraties om te gaan, e.d.). Een belangrijk aandachtspunt is ook de beeldvorming over Marokkaanse jongeren en gezinnen: er moet onderzoek gedaan worden naar de volledige populatie om de groep die veel overlast bezorgt te kunnen afzetten tegen de Marokkanen die als eerbare burgers deel uitmaken van onze samenleving. In dit onderzoek moet ook rekening gehouden worden met werkloosheidscijfers, aantal kinderen per gezin, omgevingsfactoren en opleidingsniveau van ouders en kinderen. Door voortdurend te werken met delinquenten en daarover te rapporteren in de media is het gevaar niet denkbeeldig dat de problemen niet gerelativeerd kunnen worden. We moeten ook weten welk percentage allochtonen in de steden voorspeld kan worden op grond van geboortecijfers opdat het beleid daarop afgesteld kan worden.
Voor de beperkte groep van 3% recidiverende delinquenten moet er in feite aan preventie gedaan worden. Voor jongeren boven de 16 jaar met ernstige gedragsproblemen beschikken we namelijk niet over effectieve behandelingsmethoden. Hoe de preventie succesvol kan verlopen staat beschreven in mijn boek: “Zorgenkinderen: Omgaan met opvoedingsproblemen” (Amsterdam: Ambo, 2006, 2de druk). Als men in de stad over vijf jaar een daling wil zien in de criminaliteit zou een goed opgezet preventieproject voor kinderen van 8 tot 14 jaar opgezet moeten worden. Zo'n preventieproject moet deskundig worden begeleid want de meeste dergelijke projecten mislukken en maken het nog erger.
Dit advies is bestemd voor projecten die werken met de groep die al gehard is in de criminaliteit. Crimineel gedrag is bij deze groep jongeren als het ware een automatisme geworden (net zoals zwemmen of fietsen een automatisme wordt en dat is niet meer af te leren). Op zestienjarige leeftijd zijn het vaak gewelddadige criminelen geworden die leven in een subcultuur waar zeer afwijkend sociaal gedrag in stand wordt gehouden. Ook hebben ze geleerd dat agressie of geweld voor hen de enige mogelijkheid is om status te verkrijgen en om hun behoeften te bevredigen. Als dat niet onmogelijk wordt gemaakt, dit wil zeggen als geweld niets meer oplevert, dan kunnen we geen duurzame gedragsveranderingen verwachten (wij bieden vaak ook niks in de plaats). Een zero-tolerance beleid is juist bedoeld om elke criminele handeling onmiddellijk te bestraffen zodat de jongen leert dat het niks meer oplevert (maar alle delicten waarbij hij niet wordt betrapt, leveren wel het nodige op, zodat zero-tolerance niet altijd het gewenste effect oplevert. Aangezien de pakkans bij kleine criminaliteit slechts 15% is “ loont het voor hen altijd de moeite” om te stelen en mensen te intimideren; ze hebben trouwens niets te verliezen.
Multisystemisch werken: Een probleem kan slechts duurzaam worden opgelost als gewerkt wordt aan de echte oorzaken, als alle belangrijke oorzaken aangepakt worden en als ze aangepakt worden in de omgeving waar ze zijn ontstaan. Het failliet van de jeugdzorg, die er niet in slaagt kinderen en jongeren die de grootste risico’s lopen op een antisociale ontwikkeling, effectief te helpen is een gevolg van het feit dat de hulpverlening vrijwel altijd slechts één of een paar terreinen bestrijkt. Men werkt ofwel alleen met de individuele jongere of men behandelt één probleem zonder rekening te houden met de invloed van andere factoren. Bijvoorbeeld: de jongen wordt geplaatst in een instelling; de behandeling lijkt er goed aan te slaan; deze jongen keert terug naar zijn milieu die niet weet dat hij veranderd is, die hem nog ziet als de jonge crimineel en dat ook in de verwachtingen naar die jongen toe laat blijken. Zeer snel zal deze jongen hervallen in zijn oude gedrag. Ander voorbeeld: men leert de jongen sociale vaardigheden aan; dit lijkt goed te lukken en er is zelfs generalisatie zichtbaar naar zijn relaties in zijn eigen omgeving, maar op school maakt hij zich nog steeds belachelijk door zijn stomme fouten en hij raakt opnieuw zijn zelfvertrouwen kwijt. Bij deze jongen is huiswerk- of schoolbegeleiding van even groot therapeutisch belang als een sociale vaardigheidstraining. Derde voorbeeld: na de detentie wordt de jongere begeleid bij het vinden van werk, bijvoorbeeld een stageplaats, maar hij wordt daar vernederend of zonder enig geduld behandeld; als de begeleider niet probeert op een of andere manier samen te werken met de werkgever en de collega’s zal de jongere spoedig mislukken (vandaar dat ik er vaak aan denk dat we gewoon zelf een bedrijf op te richten om die jongeren aan het werk te helpen in een therapeutisch kader; een opleiding in het kader van de militaire dienst lijkt mij een beloftevol alternatief).
Veel projecten pretenderen multisystemisch te werken, maar dat is veelal een loze kreet. Om op die manier te werken moeten alle voorzieningen (jeugdzorg, maatschappelijk werk, buurtwerk, onderwijs, politie, jeugdrechtbank enz.) heel goed samenwerken en al deze voorzieningen zouden prioriteit moeten geven aan de groep jongeren die behoren tot de bovengenoemde 3%.
Werken in en met het natuurlijk milieu. De sleutel voor een oplossing van het probleem van de hardnekkige criminaliteit ligt in het creëren van positieve bindingen. Er moet een band ontstaan tussen de jongere en volwassenen die om hem geven. Hij moet zich gewaardeerd weten en hij moet in die volwassenen voorbeelden zien voor zijn eigen manier van leven. Als zo’n jongere bijvoorbeeld bij een baas kan gaan werken die met het nodige geduld zich met hem betrokken toont en die hem waardeert voor wat hij doet, ontstaat een band die het voor die jongen de moeite waard maakt zich aangepast te gedragen. Als hij bij een militaire opleiding goede modellen ontmoet en solidariteit ondervindt van zijn kameraden zal hij gestimuleerd worden om zich aangepast te gedragen.
Hulpverleners hebben te vaak de illusie dat hun relatie met de jongere hem op het rechte pad zal houden. De hulpverlener kan echter slechts gedurende een beperkte tijd een relatie onderhouden en hij blijft een buitenstaander in het milieu van de jongere.
Het is beter de taak van de hulpverlener te zien als die van bemiddelaar tussen de jongere en de volwassenen in zijn eigen milieu die op een of andere manier een positieve invloed kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld de ouders, familieleden, werkgevers, gezaghebbende personen in de buurt of bij de etnische groep.
Bij Marokkanen is het een groot probleem dat de ouders vaak niet willen zien dat er een probleem is. Om geen gezichtsverlies te moeten lijden worden de meest voor de hand liggende feiten glashard ontkend. Mensen uit andere culturen hebben vaak een logica die voor de rationele westerse mens volkomen onbegrijpelijk is, wat de communicatie bijzonder moeilijk maakt. Goed bedoelde pogingen om te helpen worden soms geïnterpreteeerd als minachting of vernedering. Bemoeienissen van politie en van hulpverleners worden bijvoorbeeld als een schande ervaren (ik heb bijvoorbeeld ooit eens meegemaakt dat het vervoer met een busje naar de school voor buitengewoon onderwijs als een vorm van discriminatie werd beleefd).
Ook wordt bij allochtonen de verantwoordelijkheid voor misdaden makkelijk elders gelegd. Daarenboven is er bij etnische groepen die zich gediscrimineerd voelen door sociale achterstand, werkloosheid en weinig carrièrekansen vaak veel verbittering tegenover de autochtone cultuur. Dit verklaart natuurlijk niet alles want sommige etnische groepen halen heel snel hun achterstand in en worden in de autochtone cultuur goed gewaardeerd. De problemen met immigranten uit de Maghreb kunnen we echter moeilijk verdoezelen en bij hen is het heel moeilijk om in en met het natuurlijk milieu samen te werken. Voor velen is dit een reden om de hoge criminaliteit onder Marokkanen als een uitzichtloos probleem te zien. In Amsterdam bijvoorbeeld liet men begin jaren negentig delinquente Marokkanen gewoon lopen (de hulpverleners begonnen er niet meer aan) totdat de feiten die ze plegen ernstig genoeg waren om ze een tijdje op te sluiten. Deze houding maakt het probleem uiteindelijk steeds ernstiger. Dit is te vergelijken met een kankerpatiënt die men niet behandeld zolang slechts minimale symptomen aanwezig zijn; als men wacht totdat de kanker uitgezaaid is, is het meestal te laat om de kanker nog te genezen.
Ook hier maak ik mij niet te veel illusies. In Nederland werd en wordt verschrikkelijk veel geld gepompt in projecten die gericht zijn op vermindering van jeugdcriminaliteit. Ook is er veel meer wetenschappelijk onderzoek verricht en is er meer deskundigheid aanwezig. Na dertig jaar zouden we kunnen concluderen dat de hele jeugdhulpverlening het best opgedoekt kan worden en de vrijkomende middelen kunnen worden besteed aan meer jeugdpolitie en meer leraren. Als die politiemensen en leraren dan getraind en gesuperviseerd worden om probleemjongeren op de juiste manier aan te pakken (bijv. als er meer leraren zijn hebben ze ook de tijd om de ouders thuis te bezoeken en als er meer jeugdpolitie is dan kunnen zij nog meer toezicht houden in de wijken en zij kunnen de ouders op hun verantwoordelijkheid aanspreken), dan komt misschien eindelijk een vermindering van de jeugdcriminaliteit in zicht. Dit is het preventieve luik van mijn voorstel. Voor de oudere groep is een aanpak nodig waarbij de jong(-volwassen) delinquenten een nieuw en stimulerend milieu wordt aangeboden, zoals in mijn voorstel om hen een militaire-humanitaire training aan te bieden.
Willen we toch een vorm van jeugdhulpverlening behouden voor de aanpak van jonge criminelen, dan zal heel gericht gewerkt moeten worden. Ten eerste moet de echte doelgroep (recidiverende criminelen die steeds gewelddadiger worden) worden bereikt. Dit kan alleen door goed samen te werken met de politie.
Ten tweede moet de hulpverlening erin kunnen slagen in het eigen milieu mensen te mobiliseren die een binding met deze jongeren durven en willen aangaan.
En last but not least moet de veiligheid van de samenleving maximaal gewaarborgd worden door detentie zolang het nodig is, gevolgd door toezicht waaraan niet te ontkomen is (bijv. door een slimme manier van elektronisch toezicht). We kunnen als hulpverleners wel heel betrokken zijn en het accent leggen op het positieve, maar we moeten ook durven op strenge manier gezag uit te oefenen in de vorm van voorzorgen en maatregelen die voorkomen dat deze jonge criminelen nieuwe slachtoffers maken. Een solidaire samenwerking tussen hulpverlening en gerechtelijke macht is minstens even belangrijk als het therapeutisch handelen. Voor de groep die gehard is in de criminaliteit en die blijkbaar niet vatbaar was voor een preventieve aanpak zou met de Marokkaanse regering een overeenkomst gesloten kunnen worden om deze recidiverende jonge criminelen in het land van herkomst her op te voeden. Dit initiatief zou vanuit Europa gesubsidieerd kunnen worden. Een beter alternatief is de eerder genoemde militaire-humanitaire training in een vreemdelingenlegioen.
Om positieve bindingen te creëren zullen we heel inventief te werk moeten gaan. We kunnen dit niet achter een bureau uitwerken. Dit is een kwestie van intensief contact met de wijk, overleg met sleutelfiguren, winnen van het vertrouwen van de ouders, het opzetten van initiatieven waarin die jongeren kunnen participeren, enzovoorts. Ik geef hiervan een voorbeeld voor de groep van 14 tot 18 jaar (maar wellicht kunnen veel betere voorbeelden uit het overleg met de mensen zelf naar voren komen): stel dat in het kader van de renovatie van achterstandswijken een bedrijf wordt opgezet voor schoonmaak, beveiliging en herstellingswerken in de wijk. Geëngageerde sleutelfiguren leiden dit bedrijf met ondersteuning van de hulpverleners. Een andere mogelijkheid is dat bestaande bedrijven deze werken kunnen uitvoeren op voorwaarde dat ze samenwerken met de hulpverleners en de jongeren hiervoor in dienst nemen. De probleemjongeren worden tewerkgesteld in het kader van een breder behandelingspakket. De groepsvorming en de individuele trajectbegeleiding lopen parallel aan deze tewerkstelling en zijn bedoeld om de jongeren te trainen en te ondersteunen bij hun taken. Verder zou aandacht besteed kunnen worden aan het aanleren van praktische zaken zoals leren solliciteren, leren werken met pc, eenvoudige taalcursussen, enzovoort.
Voor de groep van 16 tot 24 jaar die volgens het volwassenenrecht veroordeeld worden, stel ik voor in militaire verband een opleiding te bieden, gevolgd door deelname aan vredesoperaties, opbouwprojecten in ontwikkelingslanden en in islamitische landen.
Samenvatting
1. Het project moet bedoeld zijn voor de harde kern van recidiverende criminele jongeren met bijzondere aandacht voor geweldplegers en voor Marokkaanse delinquenten (autochtone delinquenten en delinquenten uit andere etnische minderheden behoren uiteraard ook tot de doelgroep).
2. Om eenzijdige beeldvorming te voorkomen moet de volledige populatie van allochtone groepen onderzocht worden zodat duidelijk wordt welk percentage goed geïntegreerd is en hoeveel er overlast bezorgen. Ook moet op grond van de geboortecijfers duidelijk worden welk percentage allochtonen we in de toekomst in de verschillende wijken kunnen verwachten.
3. Een preventieproject voor kinderen en pubers die aan het begin staan van een criminele carrière is op de langere termijn het meest effectief. Wil je hiervan een concreet voorstel, lees dan les 7 over jeugdcriminaliteit.
4. De aanpak van jongeren die al gehard zijn in de criminaliteit, waarbij de kans op voortzetting van hun delictgedrag tot ver in de volwassenheid erg groot is en die steeds gewelddadiger worden, vereist een gecoördineerde, strikte en zeer systematische aanpak op meerdere niveaus in hun natuurlijk milieu. De detentie om de samenleving tegen hen te beveiligen is slechts een beperkt aspect van de noodzakelijke behandeling. Een ander mogelijkheid is een overeenkomst met de Marokkaanse overheid waarbij recidiverende Marokkaanse jonge delinquenten in het land van herkomst worden heropgevoed met subsidie vanuit Europa. Nog beter zou zijn deze jongens een militaire training te geven, gevolgd door deelname aan vredesoperaties en humanitaire projecten.
Terugkomend op eerder genoemd basisprincipe: alle maatregelen, van een repressieve aanpak tot multisystemische therapie, zullen op niets uitlopen als we deze Marokkaanse jongens niet hun trots teruggeven Trots over wat ze presteren en om de waardering die ze ervoor krijgen. Dit principe zou gerealiseerd kunnen worden als deze jongens in een vredescorps getraind en opgeleid worden voor de jihad: niet de Heilige Oorlog tegen het Westen, maar om een constructieve bijdrage te kunnen leveren aan de opbouw van het groot Islamitisch Kalifaat. De jihad heeft een dubbele betekenis: de innerlijke jihad, dat is de strijd tegen egoïstische verlangens met als doel een goede moslim te worden, en de uiterlijke jihad die een strijd is voor de eenheid van het islamitisch kalifaat.
5. Elke behandeling zal mislukken als er geen bindingen ontstaan met positieve figuren in het eigen milieu. Dit wil zeggen dat het noodzakelijk is het project op te zetten vanuit intensief overleg en contact met de wijk. Het project moet als het ware deel worden van het leven in de wijk en er ook gevestigd zijn. De hulpverleners moeten zoveel mogelijk de gezinnen bezoeken en contact hebben in de wijk met sleutelfiguren, instellingen, organisaties en bedrijven.
6. Het opzetten van een bedrijf voor renovatie en onderhoud van de wijken waar deze jongeren wonen en waarin deze jongeren worden tewerkgesteld, zou het mogelijk maken de therapeutische doelstellingen te combineren met zinvol werk dat door de eigen omgeving wordt gewaardeerd. Tijdens de detentie zou het werk bij dit bedrijf voorbereid kunnen worden door praktijkgerichte cursussen.
7. De veiligheid van de samenleving moet ook tijdens de behandeling maximaal gewaarborgd blijven, dit wil zeggen dat de detentie duurt zolang het nodig is en dat daarna een vorm van (elektronisch) toezicht volgt waaraan niet te ontkomen is. Vanaf de aanvang van de detentie worden echter de ouders en andere belangrijke personen uit eigen omgeving ingeschakeld bij het behandelingsproces.
8. Om de bovengenoemde coördinatie mogelijk te maken:
- moet de politie getraind worden in het leren herkennen van de doelgroep;
- moeten de hulpverleners leren op te treden als bemiddelaars tussen de jongeren en personen, bedrijven, organisaties en instellingen in hun natuurlijke omgeving die een positieve invloed kunnen uitoefenen;
- moet er een goede samenwerking zijn tussen de justitiële instanties en de projectmedewerkers zodat de detentie vanaf het begin kan samengaan met een begeleiding van personen uit de natuurlijke omgeving die een relatie hebben of willen aangaan met die jongere. Een ander aandachtspunt is de manier waarop tijdens de detentie de integratie in de natuurlijke omgeving wordt voorbereid, bijvoorbeeld in de vorm van praktijkgerichte vakopleidingen.
Het bovenstaande zal slechts gerealiseerd kunnen worden als de beleidsmakers prioriteit willen geven aan een redelijk grootschalig en breed opgezet project voor de aanpak van de harde kern van jeugdige criminelen. Eventueel kan een pilotproject in een bepaalde wijk starten. Het zou daarom goed zijn dat op hoog niveau het gemeentebestuur, de politie, de jeugdbescherming en de jeugdzorg een middag bijeenkomen om een plan van aanpak vast te stellen. Dit advies kan vooraf als discussiestuk aan de betrokkenen worden toegestuurd.