Aan onze universiteiten wordt geen psychologie en pedagogiek meer gedoceerd

De psyche of wat de mens menselijk maakt is geen onderwerp meer van onderzoek en onderwijs in academische kringen. Ook het kind is hiervan het kind van de rekening geworden. Op de universiteiten zitten nu voornamelijk excellente onderzoekers en iets minder excellente docenten. Allen zijn ervan overtuigd dat de niet-exacte wetenschappen eindelijk exact zijn geworden. Dat hebben we te danken aan de zuivere onderzoeksmethodologie en aan machines. Bijvoorbeeld machines die onze hersenen kunnen scannen.


Wat al deze hooggeleerde en zeergeleerde heren en de minder talrijke hooggeleerde en zeergeleerde dames niet weten is dat ze de alchemisten van de moderne tijd zijn. Straks zullen ze relieken zijn uit de vorige eeuw, maar het kan nog even duren vooraleer de revolutie op de universiteiten uitbreekt om terug de mens te kunnen bestuderen. Waarom zijn het alchemisten?  Hun steen der wijzen is de zuivere methodologie of het herhaalbaar toetsen van meetbare effecten. De onedele metalen die met deze steen omgezet moeten worden in het goud zijn de biologische of organische verschijnselen die gemeten worden en die beschouwd worden als de basiselementen om goud te maken. Dat goud is de ware kennis van de mens. Het levenselixir wat deze heren en dames proberen te brouwen is de onuitgesproken of onbewuste wens de mens wetenschappelijk verantwoord onder controle te krijgen.


De studenten zijn hier de dupe van. De helft van het onderwijspakket is gewijd aan de steen der wijzen. Zij breken zich het hoofd over het abracadabra van de zuivere methodologie en de daaraan gelieerde statistiek. Dit esoterisme van het onderwijs gaat soms zo ver dat men als pedagoog kan afstuderen zonder ooit een kind in de opleiding gezien te hebben. Of men wordt klinisch psycholoog zonder ooit geconfronteerd te worden met de verantwoordelijkheid die men draagt in de relatie van mens tot mens. Omdat de studenten in deze faculteit vrijwel allemaal brave meisjes zijn duurt het wel erg lang vooraleer deze klucht wordt doorgeprikt.


De vraag waar alles om draait wordt als belachelijk van tafel geveegd. Namelijk: wat is het doel van de psychologie en van de pedagogie als wetenschappen? Kennis van de mens? Ho maar, wat is het doel van deze kennis? Inzicht in de wetmatigheden die het leven van de mens bepalen? Wat is het doel van dat inzicht? Dat is nu eenmaal fundamenteel onderzoek: het gaat niet om het nut, maar om de zuivere kennis.


Dat lijkt een verstandig antwoord, maar het is op een excellente manier dom. Hier wordt simpelweg gezegd dat het doel van de kennis het vergaren van kennis is. Dat lijkt verdacht veel op de ideologie van trouw om de trouw. Net zoals bij de totalitaire ideologieën wordt hier verdrongen dat achter het fundamenteel onderzoek het verlangen schuilt macht te verwerven. Onbaatzuchtigheid bestaat niet in de objectieve wereld. Daar is kennis macht, niets anders. Ik kan dit probleem op een andere manier benaderen: stel dat de psychologen en pedagogen, die in feite geen psychologen en pedagogen zijn, over de steen der wijzen beschikken en ontdekken wat de fundamentele wetten zijn die menselijk gedrag verklaren. En dus kunnen voorspellen! Dan zou het dus mogelijk zijn de mens in absolute zin te manipuleren. De stelling dat de huidige menswetenschappers aan onze universiteiten de toekomstige totalitaire staat aan het voorbereiden zijn verdedig ik al jaren.


Het is dus al te duidelijk waarom de vraag naar het doel van die wetenschappen niet gesteld wordt en niet gesteld mag worden. Maar we hoeven er niet bang voor te zijn: die steen der wijzen bestaat niet. Dit onderzoek van die hooggeleerde en zeergeleerde heren en dames is nutteloos. Ze denken bijvoorbeeld door proeven op ratten en apen te verrichten, ze de fundamentele bouwstenen van menselijk gedrag zullen ontdekken. Niets daarvan, het omgekeerde is waar: zij noemen zich psychologen en ze worden niets meer dat ratten- en apendeskundigen. Of ze denken dat door mathematische modellen op menselijke communicatie toe te passen, zij zullen ontdekken hoe beslissingen tot stand komen. Besliskunde heet dat. Gemakshalve wordt hierbij vergeten dat als eenmaal bekend is hoe een beslissing tot stand komt, de mens als een vrije vogel anders gaat beslissen. De studenten die nu als psycholoog of als pedagoog afstuderen zijn dierkundigen, specialisten in manipulatie en statistische turfstekers.


Waar we wel bang voor moeten zijn is de totalitaire en zeer onverdraagzame orthodoxie die onze excellente wetenschappers uitdragen. Zij zijn er nu al in geslaagd de sfeer op de universiteiten te verzieken en het studieprogramma is op schandalige wijze eenzijdig geworden. Al de jonge mensen die zijn afgestudeerd en nog zullen afstuderen zullen straks diegenen zijn die het menselijke van de mens niet meer zien en die daardoor meewerken aan de opbouw van de totalitaire rationele staat die reeds aangekondigd is als ‘het einde van de geschiedenis’.


Deze beangstigende ontwikkeling wordt goed geïllustreerd door het verhaal van de wilde gans van Soren Kierkegaard. De wilde gans moet gezien worden als een jonge student die nog oog heeft voor wat de mens tot mens maakt, namelijk het hogere, zijn psyche. De tamme ganzen zijn onze excellente onderzoekers in de faculteiten der psychologie en pedagogie ( over sociologie heb ik het hier niet omdat ik die wetenschap nooit serieus heb genomen. Sociologen verklaren sociale feiten op zo’n wijze dat het resultaat is dat die verklaring niet meer geldt) en die er een platvloerse mensvisie op na houden.


Hier volgt dan het Kierkegaard’s verhaal van de wilde gans:


“Iedereen die ook maar een klein beetje de vogelwereld kent, weet dat er tussen de wilde en de tamme ganzen, hoeveel zij ook van elkaar verschillen, een soort verstandhouding is. Als de trek van de wilde ganzen gehoord wordt in de lucht en beneden op aarde tamme ganzen zijn, dan merken die het onmiddellijk; tot op zekere hoogte begrijpen zij wat het betekent; daarom ook richten zij zich op, slaan met de vleugels en snaterend vliegen zij langs de grond een stuk mee - en dan is het voorbij.


Er was eens een wilde gans. In het najaar, tegen de tijd van de trek, bemerkte hij een paar tamme ganzen. Hij vatte genegenheid voor hen op, het leek hem een schande van ze weg te vliegen, hij hoopte hen voor zich te winnen, zodat zij - als de trek begon - zouden kunnen besluiten hem te volgen.


Daarom probeerde hij op allerlei manieren met hen in aanraking te komen, hen er toe te brengen een beetje hoger te stijgen en dan weer een beetje hoger,in de hoop dat zij mogelijk de trek zouden kunnen volgen, verlost uit dit beklagenswaardige middelmatige leven, dat zij als achtenswaardige tamme ganzen, waggelend op de grond doorbrachten.


In het begin vonden de tamme ganzen het erg vriendelijk; zij hielden van de wilde gans. Maar al spoedig werden zij hem moe, zij werden hatelijk tegen hem en lachten hem uit als een fantasierijke dwaas zonder ervaring of wijsheid. Helaas, de wilde gans had zich zozeer met de tamme ganzen ingelaten dat zij macht over hem hadden gekregen, hun woorden hadden waarde voor hem - en ten slotte liep het erop uit dat de wilde gans een tamme werd.


In zekere zin kan men zeggen dat het heel mooi was, wat de wilde gans nastreefde; maar toch was het een vergissing; want - zo is de wet- een tamme gans kan nooit een wilde gans worden, maar een wilde gans kan heel goed een tamme worden.


Zou het op een of andere manier toch nog prijzenswaardig zijn, wat die wilde gans deed, dan had hij in ieder geval voor één ding moeten zorgen: hij moet zichzelf blijven. Zo gauw hij bemerkte dat de tamme ganzen op een of andere manier macht over hem kregen - dan weg, met de trek mee! Wees daarom op je hoede”.


==================================================================================================== 

EXCELLENTE ONDERZOEKERS IN GERENOMMEERDE INSTITUTEN ZIJN DE ALCHEMISTEN VAN DE MODERNE TIJD


Het is intriest dat het onderzoek in de sociale wetenschappen nutteloos en waardeloos zal blijken te zijn. Dat komt namelijk doordat de onderzoekers METEN. Ze meten wat mensen doen. Ze scannen hersenen. Ze analyseren wat wordt gezegd en geschreven. Duizenden wetenschappers worden gesubsidieerd door zeer eerbiedwaardige fondsen, maar ondanks alle geleerdheid zal niemand mijn gedrag ooit kunnen voorspellen. Ondanks alle formules en wetten zal niemand er mij ooit van kunnen overtuigen wat ik moet geloven, wat de zin is van mijn leven, welke normen en waarden echt belangrijk en absoluut zijn en welke normen mijn gedrag moeten inspireren.


Nu is het vrijwel onmogelijk om al deze wetenschappers duidelijk te maken dat ze verkeerd bezig zijn. Het is onmogelijk te accepteren dat in de meest gerenommeerde onderzoeksinstituten onzinnig werk wordt verricht. Het is niet op te brengen om in te zien dat artikels in de hoogst aangeschreven tijdschriften geen nut of waarde hebben. Ook al is dit met een klein beetje gezond verstand duidelijk te maken (zoals ik verder zal aantonen), is het nagenoeg onmogelijk de weg van de gevestigde wetenschap te

verlaten. Ik heb het hier niet over de lafaards die misschien wel twijfels hebben, maar uit angst hun baan of status te verliezen, blijven doen alsof. Het gaat hier vooral om de integere wetenschappers die niet bewust kunnen worden van de verspilling van hun leven.


Deze trieste en ook wel absurde toestand kan vergeleken worden met de middeleeuwse alchemie of met het toenmalige wereldbeeld. Alle geleerden van toen waren ervan overtuigd dat de wereld plat was en de zon om de aarde draaide. Wee diegene die het tegendeel durfde te beweren. Nochtans was met een klein beetje gezond verstand in te zien dat de wereld rond was. Men moest slechts op een toren gaan staan en een ruiter volgen die een vaandel droeg. Langzaam zou hij achter de horizon verdwijnen als een man die op een heuvel klimt en aan de top begint af te dalen.


Dat klein beetje gezond verstand wordt nu ook gemist. Het ligt voor de hand dat de mens over vrijheid beschikt die elke wetmatigheid kan weerleggen. Hier valt niets te meten en te scannen. Maar zelfs wat er te meten valt is zo oneindig complex dat als B blijkt te volgen uit A, dit achteraf herzien moet worden omdat die logica slechts geldt als ook C werkzaam is. Maar dit laatste geldt slechts als ook D samengaat met A op voorwaarde dat E niet van kracht is, enzovoorts. Ons klein beetje gezond verstand zegt dat het gedrag van de mens als individu nooit voorspelbaar zal zijn omdat er geen wetmatigheden zijn of omdat de mens “oneindig“ is. De mens is juist mens doordat hij niet het product is van wetmatigheden. De mens is mens doordat hij over zichzelf kan nadenken, doordat hij in relatie tot zichzelf kan staan met als gevolg dat hij op elke moment een vrije beslissing kan nemen tegen alle wetmatigheden in. De mens is in staat tot de dood erop volgt in hongerstaking te gaan. De mens is in staat zijn eigenbelang volledig op te offeren omwille van de moraal.


Onze geleerden zullen hier echter om lachen. De mens is een biologisch en sociaal wezen. Kennis van de biologische en sociale krachten leidt tot inzicht in de wetmatigheden van zijn gedrag. Maar deze arme excellente onderzoekers zien de mens hier slechts als een zoogdier waaraan niets menselijks is. Natuurlijk wordt de mens gedeeltelijk bepaald door instincten en is veel gedrag te herleiden tot reflexen. Natuurlijk heeft de mens vitale behoeften die bevredigd moeten worden. Hierover kan men inderdaad eindeloze studies verrichten, maar het biedt geen enkel inzicht in wat de mens tot mens maakt. De huidige onderzoekers op het terrein van de psychologie en de pedagogie moeten daarom ondergebracht worden in de faculteit der biologische wetenschappen, afdeling hogere zoogdieren.


Het mensbeeld dat van kracht is in de faculteiten der sociale wetenschappen zou slechts een grote klucht zijn indien de gevolgen niet zo ernstig zouden zijn. Doordat de crème van de samenleving zo over de mens denkt, wordt de mens meer en meer gemanipuleerd en verliest hij zijn menselijkheid (zijn vrijheid). Democratie is bijvoorbeeld niet meer gebaseerd op solidariteit en naastenliefde, maar het is een dictatuur van de media geworden. Het huwelijk is geen daad van liefde meer, maar een sociaal contract dat verbroken wordt als de verbintenis geen voordeel meer oplevert. Ouderschap is geen opoffering meer, maar een belemmering voor de carrière die we kunnen opheffen door betaalbare opvang. We verliezen onze menselijkheid en daar zijn de excellente menswetenschappers mede verantwoordelijk voor.


Wat moeten we dan wel onderzoeken en wat maakt het leven zinvol? Ik heb hier drie essays aan gewijd: ‘De armoede van de welvaart’; ‘De menselijke mens’ en ‘Gevangen vrijheid’ (zie lijst publicaties). Heel in het kort gezegd probeer ik hierin aan te tonen dat de mens de sprong moet wagen naar de absolute en onvoorwaardelijke liefde voor de medemensen. Een sprong die ons leven werkelijk de moeite waard maakt. Een sprong die de mens tot op hoge leeftijd jong en enthousiast houdt. Maar een sprong die in haar concrete consequenties heel moeilijk te maken is. Ik geef twee voorbeelden die aantonen hoe onnoemelijk groot de weerstand kan zijn tegen het maken van die sprong:  wat betekent de absolute en onvoorwaardelijke liefde bijvoorbeeld in de huwelijksrelatie? Ook dat als de ander je vreselijk verveelt en irriteert, je toch van hem of haar blijft houden. Scheiding is onmogelijk omdat de liefde onvoorwaardelijk en absoluut is. Een tweede voorbeeld: wat betekent de absolute en onvoorwaardelijke liefde ten aanzien van de nog niet geboren generaties? Dat we de natuur goed conserveren en de atmosfeer niet verder vergiftigen. Mogen we dan wel doorgaan met mateloos consumeren, met autorijden of met vliegtuigreizen? Het zal duidelijk zijn dat deze gevolgtrekkingen evenveel wrevel opwekken als toen op het eind van de middeleeuwen sommigen beweerden dat de aarde rond was.


Welk onderzoek kan verricht worden in een faculteit waar het menselijke van de mens erkend wordt? Er moet in wijsheid nagedacht worden over de roeping van de mens, over de waarden en normen die ons zijn geopenbaard. Ofwel ontkent men de openbaring en dan kan men het onderzoek en het onderwijs in de faculteiten der sociale wetenschappen inderdaad beperken tot de wetenschap van de hogere zoogdieren. Ofwel maakt men de sprong in het absolute en zoekt men de waarheid in wat de mens transcendeert. In het eerste geval mag men niet pretenderen psycholoog of pedagoog te zijn. In het tweede geval moet de christelijke identiteit met trots in stand worden gehouden.


Wat we moeten onderzoeken is wat de consequenties zijn van de waarden en de normen voor het gedrag van individuen, voor onze maatschappelijke organisaties en voor de nationale en internationale politiek. Als pedagoog heb ik in mijn laatste boek als uitgangspunt genomen dat het doel van de opvoeding is dat het kind een goed mens wordt. Het lijkt bijna een open deur intrappen, maar dit zou het curriculum van de pedagogiek aan onze universiteiten helemaal op zijn kop moeten zetten.


In zijn consequenties eist wat de mens menselijk maakt een “bovenmenselijke” inspanning (in sprong in het absolute), maar is de mens niet geschapen naar het beeld en de gelijkenis van wat boven de mens staat? Is de mens slechts een eindig wezen, met als gevolg dat uiteindelijk alles zinloos is, ook datgene wat ons het diepst ontroert. Of is de mens geroepen tot het Oneindige? Zo ja, dan moet alles toch in het teken staan van deze roeping?


Ik vind geen medestanders. 


HOME

DECEMBER 2011