http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Liever gerechtigheid dan liefdadigheid

Dat mensen die in nood verkeren geholpen moeten worden is een vanzelfsprekendheid. Wie arm is, behoeftig, werkloos of zodanig gehandicapt dat hij zorg nodig heeft, heeft ook recht op geluk en een plek op deze wereld waar hij zich veilig en geborgen voelt. Dit is niet zozeer een kwestie van naastenliefde, maar eerder een gebod waaraan elke mens die menselijk wil zijn dient te gehoorzamen. Zelfs de arme moet geven aan wie nog armer is.

Natuurlijk zijn liefde en goedheid grote deugden, maar nog deugdzamer is hulp die voortvloeit uit plichtsbesef, die onbaatzuchtig en onvoorwaardelijk is. Hulp uit liefde kan bijdragen aan het zelfwaardegevoel  van diegene die lief heeft of een goede daad verricht, of het levert respect op van anderen. Hulp die daarentegen volstrekt anoniem is, staat op het hoogste niveau. In die zin is hulp uit een gevoel van gerechtigheid volmaakter dan hulp  die gefundeerd is op de liefde voor de medemens.

De beste hulp is hulp die de ontvanger in zijn waardigheid laat. Zo stelt het verschaffen van werk de behoeftige in staat zijn eigen noden te lenigen. Of die persoon ontvangt een mini-lening waarmee hij een handeltje kan beginnen dat hem uiteindelijk in staat stelt de lening terug te betalen en op eigen houtje verder te kunnen. Verder is er ook de mogelijkheid een bedrag te storten bij een fonds dat bedoeld is om mensen in nood, waar ook ter wereld, bijstand te verlenen. Essentieel bij gerechtigheid is dat de behoeftige zijn waardigheid kan behouden en herwinnen. Even wezenlijk is dat de schenkers in de mate van het mogelijke anoniem blijven, zodat ze zich niet laten kennen als ’superieure’ mensen’, die zoeken naar waardering en erkenning. Er zijn vanuit het principe dat alle mensen gelijk zijn en evenveel recht hebben op een menswaardig leven, geen mensen die superieur zijn.

De vraag die rest is waarom moet er gerechtigheid zijn? Waarom is het een gebod of een plicht om mensen in nood te helpen? Dit is uiteraard een kwestie van ethiek. Aanvaarden we de aanname dat de wereld steeds beter moet worden? Er is veel lijden en veel ongerechtigheid in de wereld en dat moeten we niet als iets normaal of natuurlijk accepteren. Zoals een kunstenaar, een architect, een ambachtsman of een natuurbeschermer  bijdragen aan een wereld die mooi is en waar het goed toeven is, zo kan ieder mens bijdragen aan een wereld met minder leed en onrecht. Levinas zegt in dit verband dat elke mens een messias moet zijn. 

De harde consequentie bij deze ethische plicht is dat wie te veel heeft en niet geeft, het onrecht in de wereld laat voortbestaan. We moeten durven de uiterste consequentie hieruit te trekken: er moet een maximaal inkomen zijn en alles wat daarboven wordt verdiend moet worden weggegeven. In deze zin zijn de superrijken, de graaiers, de veelverdieners in de regering, bij de banken en het bedrijfsleven diegenen die het kwaad in de wereld laten voortbestaan. Dat er mensen zijn die 1, 3 miljoen of nog meer miljoenen per jaar verdienen is in het licht van alle armoede en onrecht in de wereld een regelrechte schande.  

Doordat gerechtigheid een gebod is dat van buiten de mens komt, zouden we kunnen zeggen dat in ieder ander mens God zichtbaar wordt. Volgens de filosofie van Levinas telt de Ander altijd, hij is onvervangbaar: zijn leven telt voor een ander, niet omwille van zijn verdiensten of omwille van zijn lijden, maar omdat de Oneindige in hem een naam en een gelaat krijgt. Dat wil zeggen dat we in ieder mens God moeten zien. Een atheïst of een ongelovige kan dit anders formuleren: ieder mens roept ons op tot het Goede. De hoogste en tevens moeilijkste opdracht voor de mens is zich wijden aan de anderen zonder wederkerigheid te verlangen.

Zich wijden aan de ander zonder wederkerigheid te verlangen: de enige remedie tegen racisme, discriminatie en tegen haat. We kunnen dit generaliseren tot onze houding ten aanzien van andere landen en volkeren: in plaats van kritiek te geven of te moraliseren, moeten we onze kennis en onze verwezenlijkingen met hen delen. Zelfs zonder wederkerigheid te verlangen! Dat studenten uit andere landen bij ons kunnen komen studeren, is daar een goed voorbeeld van. Kolonialisme wordt vervangen door broederschap: dienstbaar zijn zonder wederkerigheid. Een nog sterker voorbeeld betreft de economie. Tegenover een economie op basis van een meedogenloze competitie en winstbejag, staat en ethische economie die berust op delen en geven om de armoede en de miserie waar ook ter wereld op te heffen.

Dit laatste is uiteraard zeer moeilijk en in de harde economische en politieke werkelijkheid een blijkbaar onmogelijke en naïeve opdracht. Toch biedt dit principe van broederlijkheid en gerechtigheid, waarbij het eigenbelang achterwege blijft, de sleutel voor een mutatie naar een meer menselijke wereld. Menselijkheid zou hier de betekenis krijgen van gelijkend op het goddelijke.

We kunnen het naïef vinden, maar is het niet uitermate dom om op de oude voet door te gaan totdat de strijd van allen tegen allen uitmondt in de totale vernietiging van de mensheid?

Gerechtigheid zonder wederkerigheid en onthechting uit het eigenbelang zullen de kenmerken zijn van een hogere beschavingsvorm. Zou het in deze eeuw kunnen lukken?

 



   © Juliaan Van Acker 2019