armoede en criminaliteit

Ref. Weatherburn, D. & Lind, B. (2001). Delinquent-prone communities. Cambridge: Cambridge University Press


Als in een buurt 1000 arme gezinnen erbij komen, dan zullen er 141 jonge criminelen bij komen.


Als in een buurt 1000 gezinnen erbij komen waar de kinderen verwaarloosd of mishandeld worden, dan zullen in die buurt er 256 jonge criminelen bij komen.


Dit zijn de nuchtere cijfers van wetenschappelijk onderzoek. Wat zegt dit over arme mensen? Daar gaat deze studie over.


SAMENVATTING


De criminaliteit kan gevoelig dalen als we er in slagen het aantal gezinnen waar de kinderen worden verwaarloosd of mishandeld te verminderen. Aangezien verwaarlozing en mishandeling in sterke mate in verband staan met armoede zou armoedebestrijding voorrang moeten hebben. Het stimuleren van economische groei zal echter niet tot de gewenste effecten leiden als de meest kwetsbare gezinnen niet worden bereikt. Dit zijn vooral gezinnen waar de ouder langdurig werkloos is en waar ook veel sociale stress is door het ontbreken van een ondersteunende partner, door depressiviteit en sociaal isolement. Er is dus meer nodig dan economische groei. De ouders van deze gezinnen moeten werk kunnen vinden zonder dat de kwaliteit van de zorg voor de kinderen erop achteruit gaat. Werkende ouders moeten kun kinderen in betaalbare en kwaliteit biedende kinderopvangcentra kunnen onderbrengen. Niet werkende alleenstaande moeders moeten kunnen rekenen op stipt betaalde alimentatie.


De overheid moet maatregelen nemen om concentratie van de armste gezinnen in bepaalde wijken tegen te gaan, bijvoorbeeld door in die wijken werkgelegenheid te creëren. Op die manier wordt vermeden dat er kinderen opgroeien die zelden of nooit een volwassene ontmoeten die werk heeft.


Naast de maatregelen om economische stress tegen te gaan moet ook geïnvesteerd worden in het sociaal kapitaal van de buurt. Vooral diensten die op lokaal niveau worden bestuurd zijn hier van belang. Het is geen verspilling van overheidsgeld om allerlei diensten te verlenen die de integratie in de buurt verbeteren en de ouders en leerkrachten ondersteunen in de opvoeding van de kinderen.


Ten slotte kunnen gezinnen waar de kinderen groot risico lopen op een criminele carrière het best vroegtijdig worden geholpen. Om stigmatisering te voorkomen moet de dienstverlening of de interventie ingebed zijn in een netwerk van solidariteit die in de buurt aanwezig is, bijvoorbeeld door de jeugdhulpverlening en het maatschappelijk werk te integreren in de wijkschool.


 

I. Economische stress-theorieën


De kloof tussen arm en rijk wordt steeds groter. Vooral in stedelijke gebieden is er in bepaalde wijken een concentratie van armen en werklozen. In de klassieke criminologische theorieën wordt een verband gelegd tussen deze economische en sociale ontwikkelingen en een stijging van de criminaliteit, maar deze theorieën moeten we juist interpreteren. Het is wel degelijk juist dat in achterstandswijken er meer criminaliteit is. Criminelen die ernstige delicten plegen en de recidivisten komen vooral uit arme gezinnen. Als we echter naar de trends kijken in de criminaliteit dan is er geen verband tussen veranderingen in de economische omstandigheden en criminaliteit.  Bijvoorbeeld, tijdens de grote depressie in de jaren dertig van de vorige eeuw was er geen stijging van de criminaliteit. De armoedebestrijding in de VS gedurende de jaren zeventig, had geen aantoonbare invloed op de criminaliteit. Een belangrijke argument tegen de economische stress theorie is dat de meeste delinquenten al op jonge leeftijd betrokken zijn bij delicten, dus lang voordat ze geconfronteerd worden met gebrek aan kansen en werkloosheid. De beste voorspellers voor toekomstig crimineel gedrag zijn namelijk:


- weinig vrije tijd samen met de vader besteed

- probleemgedrag op jonge leeftijd

- autoritaire ouders

- psychomotorische impulsiviteit

- laag gezinsinkomen

- lage niet-verbale intelligentie

- ouders met gebrekkige opvoedingsvaardigheden.


Onderzoek wijst erop dat ongunstige economische omstandigheden op indirecte wijze een invloed hebben op crimineel gedrag. Economische stress is er bijvoorbeeld oorzaak van dat ouders minder toezicht houden op hun kinderen, of de ouders treden hardvochtig op, ze zijn minder consequent en de hechting tussen ouder en kind wordt er ongunstig door beïnvloed.


Wat wordt bedoeld met economische stress: dit is een psychologische toestand voortkomend uit een vermoedelijk verband tussen factoren zoals werkloosheid en armoede en de motivatie van het individu om een misdrijf te plegen.


De “Strain theory” van Merton is een voorbeeld van een theorie die een verband legt tussen economische stress en criminaliteit. Volgens Merton worden in elke samenleving begerenswaardige doelen gedefinieerd en de wettelijke regels om die doelen te bereiken. Mensen die in ongunstige economische omstandigheden verkeren, ervaren een belangrijke afstand tussen hun sociaal geïnduceerde verwachtingen en de middelen om ze te vervullen. Die afstand verhoogt de kans om misdaden te plegen. Deze theorie wordt echter tegengesproken door de constatering dat delinquenten juist weinig aspiraties en lage verwachtingen hebben. Een andere tegenstrijdigheid is dat een stijging van het aantal misdrijven en de stijging van werkloosheid niet altijd samenvallen.


Volgens de “Social opportunity theory” van Cloward en Ohlin is delinquent gedrag een vorm van verzet tegen het gebrek aan kansen (en dus niet zozeer een middel om sociaal aanvaarde doelen te bereiken). Er moeten wel onwettige gelegenheden, zoals lidmaatschap van een gang, zijn om die doelen te bereiken. Jongeren worden lid van een gang om daar de sociale status te vinden die ze anders niet kunnen bereiken. Deze theorie verklaart dus niet alleen diefstallen, maar ook andere misdrijven. Maar waarom zijn er dan zoveel jongeren in economisch achtergestelde gebieden die niet delinquent worden? Ook hebben veel van die jongeren weinig aspiraties en hun sociale vaardigheden zijn vaak gebrekkig.


Volgens Cohen is de kans op mislukking op school groter bij jongeren uit arme gezinnen. Zij komen minder goed voorbereid op school: hun woordenschat is gering, ze hadden als kleuter geen passend speelgoed dat hun motorische en intellectuele ontwikkeling stimuleerde, ze hebben hun ouders nooit zien lezen, ze hebben niet geleerd stil te zitten om rustig een taak af te maken. Dit gevoel van te mislukken kan worden versterkt door stigmatisering vanwege de leerkrachten of vanwege leerlingen die wel succesvol zijn. Uiteindelijk gaan ze meer en meer optrekken met lotgenoten en ze creëren hun eigen sociaal systeem waarin de gangbare normen en waarden worden verworpen. Deze theorie wordt bevestigd door het onderzoek. Kinderen uit achterstandswijken doen het minder goed op school en zwakke schoolresultaten correleren sterk met crimineel gedrag van jongeren.


Volgens de sociale controle theorie van Hirschi is crimineel gedrag een gevolg van een gebrekkige binding tussen de jongere en de personen of instituties die aangepast gedrag aanmoedigen of die toezicht houden. Hirschi verwierp de stelling dat economische stress de kans op criminaliteit onder jeugdige vergroot. Hirschi heeft echter zijn onderzoek gebaseerd op self-report onderzoek en dit soort onderzoek betreft vooral geringe vormen van delinquent gedrag. Bij ernstige delicten zoals moord en autodiefstal is er wel een sterk verband met economische stress.


In de jaren zestig van de vorige eeuw kwamen onderzoekers tot dezelfde conclusie als Hirschi, dat er namelijk geen verband is tussen economische stress en criminaliteit. Zij gingen ervan uit dat de politie bevooroordeeld is en jongeren uit achterstandswijken eerder arresteert, of ze wezen op de zogenaamde witteboordencriminaliteit die vooral in de hogere sociale klassen zou voorkomen. Deze visie wordt weerlegd als ernstige misdrijven, zoals moord of inbraken, of misdrijven die altijd worden aangegeven, zoals autodiefstal, worden onderzocht, In deze gevallen is er een sterk verband met de economische stress waaronder de daders leven. Bij deze delicten spelen vooroordelen van de politie geen rol want het zijn de burgers die aangifte doen.


Alhoewel het verband tussen economische stress en criminaliteit erg geloofwaardig is, komt uit meer recent onderzoek een aantal tegenstrijdigheden naar voren:


(1) veel criminelen beginnen met hun crimineel gedrag lang voordat ze de arbeidsmarkt betreden. De meesten beginnen al rond de leeftijd van 14 jaar en het crimineel gedrag kan al met een zekere waarschijnlijkheid worden voorspeld op heel jonge leeftijd. Al deze studies wijzen er op dat economische stress alleen niet leidt tot crimineel gedrag.

(2) uit de stresstheorie volgt dat vooral vermogensdelicten in verband zouden staan met economische stress. Er is echter ook een verband tussen werkloosheid en het plegen van geweldsdelicten. We zouden kunnen zeggen dat deze criminelen uit  verzet tegen hun zwakke economische situatie tot daden van geweld komen.

(3) onderzoek naar het verband tussen inkomen en criminaliteit of tussen werkloosheid en criminaliteit is tegenstrijdig (nu eens wel een verband, dan weer niet). Er is wel een verband tussen inkomensongelijkheid en criminaliteit.

(4) Farrington e.a. (Cambridge study):  zij ontdekten een verband met werkloosheid bij diegenen die al een predispositie hebben voor criminaliteit.


Een eigenaardig verschijnsel is dat in bepaalde buurten de criminaliteit hoog blijft ondanks dat de bevolking in enkele jaren tijds volledig veranderd is. Het gaat om wijken die gekenmerkt worden door lage economische status, etnische heterogeniteit en geografische mobiliteit waardoor er geen kans is voor het ontwikkelen van informele sociale controle. De delinquenten geven hun eigen waarden door aan de volgende generatie bewoners. De vertrekkende criminelen worden vervangen door een nieuwe generatie criminelen zolang er voldoende jongeren binnenkomen die groot risico lopen op het ontwikkelen van crimineel gedrag. Doordat vooral arme en/of eenoudergezinnen in die wijken komen wonen, komen er kinderen bij die dat risico lopen.


II. De negatieve effecten van economische en sociale stress op ouderschap


2.1. Invloed van economische stress


De onderzoeksgegevens duiden erop dat de relatie tussen economische en sociale stress en criminaliteit eerder indirect is. De meeste delinquenten plegen hun eerste misdrijven lang voordat ze de arbeidsmarkt betreden en terwijl ze nog op school zitten. Het delinquent gedrag start bij de meesten al op 14-jarige leeftijd en voor die leeftijd is hun crimineel gedrag al voorspelbaar.


Veel studies tonen een sterk verband aan tussen economische stress en meldingen van kindermishandeling. Dit suggereert dat economische stress het risico op kindermishandeling en misbruik verhoogt (bijvoorbeeld is een verband aangetoond met tijdelijke financiële problemen). Kinderen uit arme gezinnen worden vaker in ziekenhuizen opgenomen voor ernstige verwondingen ten gevolge van mishandeling. Sommig onderzoek ziet een sterker verband tussen onvoldoende inkomen en verwaarlozing, dan met misbruik.


Er zijn weinig studies die in dit verband de kindermishandeling specificeren in verwaarlozing, mishandeling, seksueel misbruik., fysieke mishandeling, psychologische mishandeling (vooral het verband met verwaarlozing zou volgens sommige studies het sterkst zijn).


Is de geconstateerde relatie tussen economische stress en kindermishandeling een gevolg van het  feit dat arme gezinnen meer onder toezicht staan? Arme gezinnen worden door de autoriteiten beter in de gaten gehouden. Maar dit is zeker niet de enige verklaring. Armoede veroorzaakt vaak depressiviteit, vooral als de ouder er alleen voor staat en door niemand wordt ondersteund. Een depressieve moeder is minder verdraagzaam ten aanzien van probleemgedrag van haar kind en ze gaat er op een autoritaire, overcontrolerende wijze mee om. Ook het verband tussen armoede en druggebruik draagt bij tot een hoger risico op verwaarlozing en mishandeling.


Veel onderzoek wijst op een verband tussen economische stress, armoede of financiële problemen met gebrek aan betrokkenheid van de vader op de kinderen,  minder zorgzaamheid vanwege de moeder en meer gebruik maken van hardvochtige discipline, minder toezicht op de kinderen, minder ouder-kind binding.


Er is echter niet zomaar een eenduidig verband tussen armoede en verwaarlozing en misbruik. In arme Aziatische landen of in armoedige streken in Zuid-Europa zijn er daarom niet meer echtscheidingen of is er meer sprake van meer verwaarlozing. De gezinscohesie is daar sterker. Ook in Westerse landen is bovengenoemd verband slechts aanwezig onder bepaalde voorwaarden. Het verband is afhankelijk van hoe de ouders de arm